Selecteer een pagina

De jaren ’30

De type specialist voor de modellen van de jaren ’30 is Leon Hoppenbrouwers.

Kenmerken

In de dertiger jaren produceerde BSA ééncilinder tweetakten, ééncilinder zijkleppers, ééncilinder kopkleppers, V-twin zijkleppers en V-twin kopkleppers. Het aantal modellen was groot en het gaat te ver om alle modellen hier te bespreken. Voor een overzicht, zie de website van Leon Hoppenbrouwers.

Produktieperiode en eigenschappen

Door de Engelse VMCC worden de motoren van jaren 1916 t/m 1930 Vintage genoemd en de motoren van de jaren 30 post-Vintage. Dat onderscheid is niet zomaar uit de lucht komen vallen maar is gebaseerd op de constructie van de motoren.

Eind jaren 20 werden platte tankmodellen vervangen door machines met een zadeltank (zie jaren 10-20), de voorvering was verbeterd en de trommelremmen hadden de velgremmen vervangen. Verlichting ging tot de standaarduitrusting behoren terwijl dat in het voorgaande decennium alleen optioneel leverbaar was. In de tweede helft van de jaren 30 werd handschakeling vervangen door voetschakeling.

In 1930 hadden de ook de V-twins een nieuw frame met zadeltank gekregen en waren alle viertakt modellen uitgerust met verlichting.

In 1932 verschenen de Blue Star-modellen die zich onderscheidden door een geëmailleerde blauwe ster in het timingdeksel. Net als bij de Red Star was dit een aanduiding dat in deze motor opvoer-onderdelen waren gebruikt. In dat jaar werd Model E, de 770cc V-twin niet meer verkocht.

Twee jaar later, in 1934, presenteerde BSA zijn eerste V-twin kopklepper: de J34-11, een 500cc machine die oorspronkelijk was ontwikkeld voor de War Office en daarna als burgermachine werd uitgebracht.

In 1936 kreeg de Blue Star gezelschap van de Empire Star, die zijn naam te danken had aan het 25-jarig koningschap van George V. De Sloper was vanaf dat jaar niet meer leverbaar maar in plaats daarvan kwam de Y13, een 750cc kopklep V-twin, die slechts drie jaar in productie is geweest.

In datzelfde jaar maakte Val Page als hoofd-ingenieur de overstap van Ariel naar BSA. Hoewel hij maar één jaar bij BSA is gebleven en al in 1937 terugkeerde naar Ariel, is zijn invloed van beslissende betekenis geweest. Hij liet de V-twins met rust maar moderniseerde de complete lijn van de singles. Het wet-sump smeersysteem, waarbij de olievoorraad in het carter werd meegevoerd, wijzigde hij in een dry-sump systeem waarbij de olievoorraad werd opgeslagen in een aparte olietank. Bovendien kregen alle ééncilinders een nieuw frame. Bij sommige modellen was de magdyno al achter de cilinder geplaatst. Bij de modellen die nog niet op deze wijze waren geconstrueerd, verhuisde de magdyno van vóór naar achter de cilinder. Ook voerde hij een andere modelnummering in. Het resultaat van zijn werk was dat in 1937 een compleet nieuwe serie motoren werd gepresenteerd. Het belangrijkste wapenfeit van BSA vond plaats op 30 juni 1937 toen Wal Handley met een BSA M23 Empire Star, tijdens een recordrace op het circuit van Brooklands, een ronde reed met een gemiddelde snelheid van meer dan 100 mijl per uur en daarmee een Gold Star verdiende (zie BSA Gold Star). Toen BSA in 1938 een nieuw sportmodel uitbracht, kreeg deze M24 uiteraard de naam Gold Star. In 1939 werd de Empire Star opgevolgd door de M23 Silver Star die alleen in 1939 en 1940 leverbaar was. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de productie van burgermodellen gestaakt omdat de volledige productiecapaciteit nodig was om legermotoren te bouwen.

Een bekende slogan in de jaren 30 was: “One in Four is a BSA.” Dit was niet alleen een slogan, dit was een feit dat werd ondersteund door de cijfers. Daarbij verkocht BSA meer dan tweemaal zoveel motoren als zijn naaste concurrent.

Modelaanduiding

In de jaren 30 lijkt de modelaanduiding nogal verwarrend maar er zit wel een bepaald systeem in, hoewel dat niet consequent werd gevolgd.

Nemen we als voorbeeld de S31-7 dan geeft de letter S het model aan. In dit geval een zijklep Sloper met 350cc. Het getal 31 geeft het bouwjaar aan en het getal 7 geeft aan dat dit het 7de model was in de catalogus.

Er was ook de S31-9, een 493cc kopklep Sloper, die (hoe verwarrend) de zelfde letter heeft als zijn kleine broer. Daarnaast was er nog de S31-10, een luxe uitvoering van de S31-9 en de H31-8, een 557cc zijklep Sloper. In 1933 heette de kopklep Sloper de M33-11. Hij had nu de codeletter M gekregen omdat de cilinderinhoud was vergroot naar 595cc. De 11 geeft aan dat hij dit jaar op de elfde plaats in de catalogus stond. De 595cc zijklepper stond dat jaar geregistreerd als de M33-10. Men maakte bij de codering geen onderscheid tussen kopkleppers en zijkleppers.

In 1936 werd het bouwjaar in de codering weggelaten en kwamen er nieuwe letters bij zoals de Q en de R die voor de Blue Star en de Empire Star werden gebruikt; de R voor de 350cc modellen en de Q voor 500cc machines.

Val Page maakte in 1937 een einde aan deze chaos en voerde de B-serie in voor de 250 en 350cc modellen en de M-serie voor de 500 en 600cc machines. De uitzondering was de M19 de-Luxe, een 350cc kopklepper die hetzelfde frame had als de M20. Daarnaast handhaafde hij de Y voor de 750cc kopklep V-twin en de G voor de 1000cc zijklep V-twin.

Door deze omslachtige modelaanduiding komt het voor dat één en dezelfde motor elk jaar een andere code heeft. De G30-16, de G31-12, de G32-10 en de G33-13 zijn in principe allemaal aanduidingen van dezelfde motor: Model G 986cc V-twin zijklepper.

De G30-16, 986 cc V-twin zijklepper uit 1930

De 1936 R19 uit de catalogus

1937 Y13 750 cc V-twin kopklepper

M35-10 de zijklep Sloper 595cc uit 1935