Selecteer een pagina

C10 / C11 /C12 / C15

De type specialist voor dit model is Joost Voeten.

Kenmerken

Het C-model van BSA is een motorfiets met een eencilinder blok van 250 cc, in zijklep en kopklep uitvoering, met losse versnellingsbak (pre-unit) en geïntegreerde versnellingsbak (unit). De C-lijn is daardoor de enige BSA-lijn die zich uitstrekt van pre-unit tot en met unit. De laatste C gaat dan ook bijna naadloos over in de unit B-lijn.

De C-modellen – met bobine ontsteking vanaf het begin – zijn geproduceerd in twee perioden. Van 1938 tot en met 1958 de pre-unit constructie met losse versnellingsbak. En de tweede periode van 1958 tot en met 1966, de unit constructie.

Produktieperiode en eigenschappen

In 1938 verscheen de C10, een 250cc zijklepper, boring x slag 63x80mm, met bobine-ontsteking en een drieversnellingsbak. De contactpunten zaten in een “paddenstoeltje” dat op de timing cover was bevestigd en 45° naar voren helde. Het frame was aan de onderkant open (diamond frame) en de voorvering bestond uit een Webb-vork. De tank bevatte twee compartimenten: één voor de benzine en één voor de olie.

Een jaar later kwam de C10 de Luxe. Deze was uitgevoerd met voetschakeling en een schuin omhoog wijzende uitlaatdemper, die dat jaar ook werd toegepast op het standaard-model. De zijklepper kreeg dat jaar gezelschap van de C11, een 250cc machine in kopklep-uitvoering, die veel gemeen had met de C10 de Luxe.

In 1940 kwam daar de C12 bij die een 350cc versie was van de C10. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werden alle C-modellen uit productie genomen maar eind 1945 kwamen de C10 en de C11 terug. Zij hadden een nieuwe benzinetank gekregen, met daarin opgenomen de kilometerteller, en een afzonderlijke olietank. De uitlaatdemper was nu horizontaal (evenwijdig met de straat) gemonteerd.

In 1946 werden beide modellen voorzien van een telescoop voorvork. In 1949 werd het vermogen van de dynamo vergroot en een jaar later kreeg de C10 een aluminium cilinderkop terwijl de cilinder van C11 werd voorzien van grotere koelribben. Bovendien konden de C-modellen, als optie, worden geleverd met een plunjerframe en met een vierversnellingsbak.

In 1953 werd een D-vormige kilometerteller op de bovenste kroonplaat gemonteerd, als optie was een buddyseat leverbaar en het achterlicht kreeg dezelfde uitvoering als op de zwaardere machines. In oktober van dat jaar werden beide modellen voorzien van een wisselstroomdynamo en kregen de modelaanduiding C10L en C11G. Hierdoor was het noodzakelijk de primaire kettingkast aan te passen. Het “paddenstoeltje” met de contactpunten verdween en de contactpunten werden nu rechtstreeks op het einde van de krukas gemonteerd. Gelijktijdig kreeg de C10L een nieuw frame en een nieuwe voorvork die afkomstig waren van de Bantam.

In 1956 werd de C11G vervangen door de C12 die met swingarm achtervering en een buddyseat was uitgerust. Het motorblok was overgenomen van de C11G en was gekoppeld aan een nieuwe vierversnellingsbak die nu ook werd gebruikt op de C10L.

In 1958 stond de C10L niet meer in de catalogus en een jaar later werd de C12 uitproductie genomen. Hij werd opgevolgd door de nieuw ontworpen C15. Met een boring x slag van 67x70mm, een ingebouwde vierversnellingsbak en een 6 volt Lucas alternator was de C15 een moderne motor. Het frame had een enkele voorbuis die zich onder het motorblok in tweeën splitste. Het achterframe was aan het voorste deel vastgebout.

Een jaar later kreeg hij gezelschap van twee sportieve broertjes, de C15T trialmotor en de C15S scrambler. De C15 had een topsnelheid van 70 mijl/u (112 km/u) terwijl zijn voorganger de C12 niet verder kwam dan 62 mijl/u (100 km/u). In 1961 kwam er een vierde model bij: de SS80 Sport Star. Door een hogere compressieverhouding, een andere carburateur, grotere kleppen, sterkere klepveren en een hogere nokkenas leverde hij 20 pk, terwijl de standaard C15 een vermogen had van 15 pk. Om het hogere vermogen aan te kunnen was het bigend lager veranderd van een glijlager in een dubbel rollenlager. In 1962 kregen alle C15’s een 60 watt alternator en kregen de C15T en C15S dezelfde krukas als de SS80. In 1964 werd ook de C15 voorzien van het bigend rollenlager. In 1966 verdwenen de twee competitiemodellen en onderging de SS80 een naamsverandering. Hij ging nog één jaar verder als de C15 Sportsman en werd in 1967 vervangen door de C25 Barracuda.

Een C10 met stijf frame en webvork.

1954 C10, telescoop en plunjevering van Harold van Eijden.

Een C11 van ca. 1950, kopklepper met telescoop voorvork.

Een C15 (1967) van John Eldred.