Selecteer een pagina

B31, B32, B33 en B34.

De type specialist voor deze motoren is Koos Toxopeus.

Kenmerken

Het BSA B-model van na de tweede wereldoorlog is een motorfiets met een eencilinder blok van 350 cc (de B31) of 500 cc (de B33), met kopkleppen en een aparte versnellingsbak (pre-unit single).

De B pre-unit modellen zijn geproduceerd van 1945 tot en met 1960.

Produktieperiode en eigenschappen

Het eerste model dat na de oorlog verscheen was de B31, die gebaseerd was op de vooroorlogse B29. De nieuweling was voorzien van dubbele spiraalveren voor de klepbediening in plaats van de haarspeldveren die bij de B29 werden gebruikt. Een ander nieuw ontwikkeld onderdeel was de telescoop voorvork. De overige onderdelen kwamen nog van de B29 zoals: een stijf frame, een zweefzadel, de olietank en het gereedschapskastje. De kilometerteller was ingebouwd in de benzinetank.

In mei 1946 werd de B32 gepresenteerd: een “competition” (dus off-road) versie van het toermodel. De motor was uitgevoerd met opgebogen uitlaten, wedstrijdbanden, verchroomde spatborden en de overbrenging was verlaagd voor deelname aan trials en scrambles. Toch was de B32 wel voorzien van een magdyno en een koplamp zodat hij ook geschikt was voor weggebruik.

Een jaar later verscheen de B33, een vergrote versie van de B31 en met een boring x slag van 85 x 88mm een bijna “vierkant” motorontwerp. De B31 daarentegen was met 71 x 88mm een duidelijke lange-slag motor. De B33 was in zijn derde versnelling net zo snel als de B31 in de vierde versnelling en de topsnelheid bedroeg 82 mijl/uur (130 km/u). Korte tijd later kwam daar de B34 bij, een competitiemodel in de lijn van de B32.

Voor 1948 werden een aantal veranderingen doorgevoerd. De kilometerteller was verhuisd naar een beugel op de bovenste kroonplaat en daarmee samenhangend was er een nieuwe benzinetank ontworpen. De competitiemodellen werden voorzien van een inklapbaar kickstarpedaal.

Een jaar later werden de ééncilinders nogmaals gewijzigd en kwamen frames met plunjervering beschikbaar voor alle B- en M-modellen. Voor de B32 waren als optie een aluminium cilinder en kop leverbaar, die kopieën waren van de gietijzeren onderdelen en dus een losse stoterstangentunnel hadden en niet, zoals bij de Gold Star, een ingesloten tunnel. Hierdoor werd de motor circa 9 kg lichter.

Naast een geheel zwarte uitvoering waren de B31 en de B32 ook leverbaar met groene tankpanelen en een groen bies op de velgen. Voor de 500cc modellen was de optionele kleur rood.

In 1950 waren de aluminium onderdelen ook beschikbaar voor de B34. Een jaar later werden de frames van de competitiemodellen uitgevoerd met een steilere balhoofdhoek.

In 1952 werden de aluminium cilinder en kop van de competitiemodellen gewijzigd in Gold Star-stijl, dus met een ingesloten stoterstangentunnel. Als optie was voor deze machines ook een aluminium benzinetank met een inhoud van 9 liter beschikbaar. Door het gebrek aan chroom (veroorzaakt door de Korea-oorlog) waren de benzinetanks geheel in kleur gespoten. Een jaar later was het chroom- probleem opgelost en werden de benzinetanks weer verchroomd. Bij de wegmodellen was de losse koplamp ingeruild voor de “koeienkop” met daaronder een stadslichtje en de nummerplaatdrager had dichte zijkanten gekregen. De B33 kreeg een 8 inch voorrem en de drijfstang was, net als bij de Gold Star, ingekort.

Alle exportmodellen werden in 1954 voorzien van een swingarm-frame terwijl de machines voor de thuismarkt nog met stijve frames en plunjerframes werden uitgerust. Binnen een jaar kwamen de swingarm-modellen ook in Engeland op de markt. Zij hadden dezelfde versnellingsbak als de Gold Star, en een Monobloc carburateur. In 1956 kregen de B-modellen volle naven van aluminium, de zogenaamde Ariel-naven.

De wegmodellen veranderden niet in 1957 maar de competitiemodellen werden nu ook voorzien van het swingarmframe en van een centrale olietank. Zij werden bijna en replica van de Gold Star maar uitgevoerd met cilinder met kleine koelribben en een B31 carter. Later dat jaar werden de competitiemodellen uit het leveringsprogramma genomen.

In 1958 ondergingen de wegmodellen een aantal wijzigingen. De belangrijkste was dat de magdyno werd vervangen door een wisselstroomdynamo (alternator) op de krukas. Deze motorblokken zijn te herkennen aan de code die begint met GB. Op de plaats van de magdyno was nu een element gemonteerd met daarin alleen de contactpunten en een vervroegingsmechanisme. De koplamp was opgenomen in een “nacelle”, dezelfde die bij de twins werd gebruikt en de aluminium naven waren vervangen door plattere exemplaren van gietijzer. Dit was de laatste versie van de B-modellen want eind 1959 werd de B31 uit productie genomen en een jaar later volgde de B33. Zij werden opgevolgd door de B40.

Een B31 van ca. 1947

Een B33 van 1959, met een wisselstroom dynamo (bult op de primaire kettingkast)